Het kerstmenu is voor veel mensen een project op zich. Kalkoen, stoofgerechten, zalm, vegetarische hoofdgerechten en misschien truffel of paddenstoelen. De vraag welke wijn daarbij past, lijkt soms ingewikkeld, maar met een paar eenvoudige principes kom je al heel ver.
De eerste regel is simpel: kijk naar het meest dominante element op het bord. Dat is niet altijd het vlees of de vis. Een romige saus kan een lichte wijn laten verdwijnen, terwijl een krachtige marinade juist vraagt om een wijn met voldoende karakter. De wijn hoeft niet te overheersen, maar moet wel overeind blijven.
Bij voorgerechten met vis of schaaldieren werken frisse, klassieke keuzes vaak goed. Denk aan een lichte, frisse witte wijn of een glas bubbels bij oesters. Gaat het gerecht meer richting romig, zoals coquilles of langoustines met botersaus, dan past een elegant houtgerijpte witte wijn beter. Frisheid en rondheid moeten hier in balans zijn.
Voor het hoofdgerecht bouw je verder op datzelfde idee. Bij kalkoen of kip is een zachte pinot noir vaak een veilige keuze, zeker als er paddenstoelen in het gerecht zitten. De wijn heeft voldoende zuren om het gerecht licht te houden en sluit mooi aan bij aardse smaken.
Bij rundvlees kun je denken aan klassieke rode wijnen met meer structuur. Stoofgerechten vragen vaak om warme, kruidige wijnen met diepte en rijping. Ook vegetarische kerstgerechten verdienen aandacht. Paddenstoelen combineren prachtig met rode wijn, terwijl groentegerechten met zoetere tonen juist beter werken met aromatische witte wijnen.
Vergeet daarbij nooit de saus. Vaak bepaalt die de uiteindelijke wijnkeuze. Een vette saus vraagt om frisheid, een krachtige jus om structuur en een zoete toets om zachtere tannines. Begrijp je dat spel, dan wordt wijn kiezen leuk en ontspannen.
Het doel is eenvoudig: wijn en gerecht moeten elkaar laten stralen. Lukt dat, dan wordt de kersttafel vanzelf bijzonder.
