De termen Oude Wereld en Nieuwe Wereld kom je nog vaak tegen in wijnboeken. Europa geldt daarbij als de oude wereld en alles daarbuiten werd lange tijd gemakshalve als nieuwe wereld bestempeld. Handig, maar ook versimpeld.
Neem Zuid-Afrika. In de zeventiende eeuw plantte Jan van Riebeeck de eerste wijnstokken aan de Kaap. Daarmee is Zuid-Afrika geen klassieke oude wereld, maar met eeuwen wijnbouw en een eigen stijl is het ook allesbehalve nieuw.
Terwijl het hier in januari koud, nat en donker is, is het daar zomer. Dat verandert niets aan de wijn zelf, maar het idee van rijpe druiven onder de zon helpt wel op grijze dagen.
Zuid-Afrika heeft een aantal druiven die het land karakter geven. Chenin blanc is de grote trots: van fris en strak tot rijk en honingachtig, maar altijd energiek. Pinotage is eigenzinnig en kruidig, onmiskenbaar Zuid-Afrikaans. Syrah is vaak sappig en kruidig met rijp fruit en frisheid. Cabernet sauvignon is krachtig en gestructureerd, maar met zon in het glas.
Zuid-Afrikaanse wijnen zijn vaak rijp en toegankelijk, maar zelden log. Ze combineren fruit met frisheid en kracht met balans. Dat maakt ze ideaal voor januari: comfort zonder zwaarte.
Chenin blanc past goed bij geroosterde knolgroenten, kip uit de oven of een romige preischotel. Pinotage werkt prachtig bij stoofgerechten, lamsvlees of kruidige vegetarische schotels met linzen en paddenstoelen. Syrah sluit mooi aan bij worstjes, gegrilde groenten of een kruidige ovenschotel. Cabernet sauvignon is er voor de echt koude dagen, bij rundvlees, wild of stevige bonenschotels.
Januari vraagt om wijnen die warmte geven zonder feestdagenvolume. Zuid-Afrika levert precies dat, ook als de zon hier even ver weg is.
